De student kan:
de betekenis van de in de module behandelde auteurs plaatsen in het complexe geheel van de (kerk)geschiedenis van de middeleeuwen en de Reformatie (ET 1,2,6);
op een methodologisch verantwoorde manier zelfstandig bronteksten van verschillende genres in close tekst reading lezen en interpreteren (ET 2,3,4);
de context van deze bronteksten uitleggen en kan deze context verdisconteren in haar/zijn interpretatie (ET 3,4);
de opgedane kennis over (kerk)historische methodes en theoretische perspectieven toepassen in de thematische papers over de behandelde auteurs en hun teksten (ET 4,5,7);
de opgedane kennis van de besproken auteurs en hun werken vruchtbaar maken voor de hedendaagse theologische discussies in de diverse kerken, voor de oecumenische dialoog en voor gesprekken over maatschappelijk relevante kwesties (ET 1,2,6,7).
Deze cursus laat een aantal auteurs aan het woord die in de (late) Middeleeuwen aan de vooravond van de reformatie een belangrijke rol spelen: Bernardus van Clairvaux (1090-1153), Bonaventura van Bagnoregio (1217/21-1274), Catharina van Siena (1347-1380), Johannes Brugman (c.1400-1473) en Erasmus van Rotterdam (c.1466-1536). De late middeleeuwen worden veelal gezien als een periode van verval, aan de hand van deze teksten wordt duidelijk dat er juist ook sprake was van bloei met name wat betreft vroomheid en bijbelstudie. Bernardus en Bonaventura stammen weliswaar uit de Hoge Middeleeuwen, maar hun invloed strekt zich elk op eigen wijze uit tot in de vroegmoderne tijd. Hun geschriften werden veelvuldig gelezen en overgeleverd, met name de teksten die gericht zijn op de ontwikkeling van de religiositeit. Juist ook vrouwen speelden een belangrijke rol in het religieuze leven van de Middeleeuwen, aan de hand van Catharina van Siena gaan wij dit spoor na. Brugman en Erasmus staan beide voor een belangrijk deel in de traditie van de devotio moderna en droegen elk op eigen wijze bij aan de hernieuwde oriëntatie op de bijbel.
De gekozen bronteksten worden als primaire literatuur in close text reading centraal gesteld. De cursus wil de student uitdagen om op basis van bronnenstudie tot een eigen interpretatie te komen. De secundaire literatuur heeft een voor de bronteksten ondersteunende functie.
In de bespreking van de bronteksten wordt de verbinding gezocht tussen de betekenis in hun eigen context en de hedendaagse relevantie.
Naast de kernteksten van deze theologen wordt in deze cursus aandacht besteed aan (kerk)historische methodes en theoretische perspectieven.
Werkcolleges, gezamenlijke close text reading en bespreking van bronteksten, bespreking van (kerk)historische methodes
Contacturen: 12 (6x2u) Collegevoorbereiding: 36u
Papers: 5 x 8u
Zelfstudie: 80u
Vijf papers (elk 16 %), participatiecijfer (20%)
Literatuur colleges
N.B.: Veranderingen in de literatuur worden voor aanvang van de cursus door de docent aangegeven
| Naam | Code | Beoordeling | Gewicht | Vakbodem |
|---|---|---|---|---|
| Paper 1 | MAKG1.1A | Cijfer | 0,16 | 5.5 |
| Paper 2 | MAKG1.1B | Cijfer | 0,16 | 5.5 |
| Paper 3 | MAKG1.1C | Cijfer | 0,16 | 5.5 |
| Paper 4 | MAKG1.1D | Cijfer | 0,16 | 5.5 |
| Paper 5 | MAKG1.1E | Cijfer | 0,16 | 5.5 |
| Participatie | MAKG1.1F | Cijfer | 1/5 | 5.5 |